U bent in de wondere wereld van de Siberische Kat en
de point variant de Neva Masquerade
 
 

 

 

 

Home
Genetica
Kleurengenetica
Pigmentatie
Vachtkleuren
Vachtpatronen
Kleurmodellen

De basis theorie
Het geslacht
Overzicht
      kleurengenen
Tabby
Rood en tortie
Verdunning
Silver en golden
Wit en witte
      vlekken
Analysen van
      geno/feno typen
 

De basis theorie
 

 

Genen, chromosomen en de voortplanting

In alle cellen van de kat bevinden zich chromosomen. Dit zijn een soort H-vormige elementen , die zich in de elke celkern (nucleus genoemd) bevinden. Katten hebben in totaal 38 chromosomen in hun lichaamscellen. De chromosomen zijn de drager van alle erfelijke informatie. Alle lichaamscellen van een kat bevatten dezelfde 38 chromosomen, ongeacht de plaats en de functie van cel. Wanneer een cel zich deelt, zullen de chromosomen dus telkens moeten worden gekopieerd, zodat elke nieuwe cel een exacte kopie van alle 38 chromosomen bevat. Op deze chromosomen liggen allemaal genen, die verantwoordelijk zijn voor de erfelijke eigenschappen (en de gehele opbouw van het lichaam) van een kat. Omdat in elke lichaamscel dezelfde 38 chromosomen zitten, en dus ook dezelfde genen, hoeven niet alle genen actief te zijn. De genen doen hun werk alleen op de plaatsen waar dat nodig is. De genen voor vachtkleur moeten in een pigmentcel dus actief worden. Daarentegen hoeven de genen voor bepaalde lichaamsvormen, die zich k in diezelfde pigmentcel bevinden, helemaal niks te doen; deze worden als het ware 'uitgeschakeld'. Zo wordt het hele lichaam van de kat opgebouwd door genen (gelegen op de chromosomen), die alleen actief op de nodige plaatsen.

 

De 38 chromosomen van een poes

 

 

 

 

Voor de voortplanting is het belangrijk te weten dat de chromosomen steeds paren van twee vormen; er zijn dus 19 chromosomenparen in elke lichaamscel. Deze twee chromosomen zijn beide een soort kopien van elkaar (er zitten slechts hele kleine verschilletjes tussen). De voortplantingscellen -dat zijn de zaadcellen in de testikels van de kater en eicellen in de eierstokken van de poes- zijn aparte cellen. Deze bevatten namelijk maar de helft van het totale aantal chromosomen; dus steeds n chromosoom per paar van twee. De eicellen van de poes en de zaadcellen van de kater tellen dus elk in totaal 19 chromosomen. Bij de voortplanting smelten enkele (bij katten gemiddeld 4) van de vele zaadcellen samen met de eicellen, en vormen ze dus weer een complete cel , namelijk weer met 38 chromosomen; 19 van de vader en 19 van de moeder. Deze samengesmolten cel heet een zygote, die later uitgroeit tot een kitten. De reden dat de kittens binnen een nest allemaal verschillend zijn komt doordat het steeds per chromosomenpaar op toeval berust welke van de twee in de voortplantingscel terecht komt. Hierdoor zijn er talloze verschillende mogelijkheden. Zo zijn alle zaadcellen, maar ook alle eicellen verschillend.

  

 


 

 

 

 

 

Dominant, recessief en overerving

Zoals ik al eerder noemde liggen de eigenschappen van de kat opgeslagen in de genen, gelegen op de chromosomen. Een gen ligt op n chromosoom. Maar zoals ik al eerder noemde heeft een kat al zijn chromosomen ‘dubbel’ en zijn er dus ook steeds twee dubbele, ‘concurrerende’ genen per chromosomenpaar. De dubbele genen, dus de genen die bij elkaar horen, voeren samen dezelfde functie uit. Dat is de reden dat ze bij elkaar horen. Het ene gen doet dat alleen net iets anders als het andere gen. Een voorbeeld is te zien bij de vachtkleur van katten. Het ene gen zegt 'zwart' het andere gen zegt 'blauw'. Beide hebben echter dezelfde functie, namelijk kleuring van de vacht.  Een kitten krijgt dus van zowel de vader  als  de moeder een gen mee. Wanneer deze twee genen op de zelfde plaats op het chromosoom liggen, gaan ze -simpel gezegd- met elkaar ‘concurreren’. Ze kunnen zich samen gaan mengen (waardoor een gemengd uiterlijk ontstaat), maar meestal is het zo dat n van de twee genen ‘wint’van de ander. De eigenschap van het winnende gen wordt dan zichtbaar, terwijl de eigenschap van het ‘verliezende’ gen onzichtbaar blijft, en de kat deze met zich mee ‘draagt’. Zulke winnende en verliezende genen noemen we dominant en recessief. Het voorbeeld van zwart en blauw laat dit duidelijk zien. Het zwarte gen is in dat geval sterker als het blauwe gen. Als een kitten dus een zwart gen en een blauw gen ontvangt, zal het zwarte gen winnen van het blauwe. Ontvangt het kitten echter twee blauwe genen en geen een zwart gen, dan wordt het blauwe gen niet overschaduwt door een zwarte en zal de kat wel blauw worden.

Bij het hanteren van de genetische wetten is het handig te weten wat de volgende termen inhouden:

 

*   De locus (meervoud: loci) is de plaats van de twee concurrerende genen op de twee bij elkaar horende chromosomen. Met andere woorden de plaats op het chromosoom waar het gen voor de desbetreffende eigenschap zich bevindt.

 

*   De twee genen die bij elkaar horen (en dus met elkaar ‘concurreren’) noemen we allelen van elkaar. Deze allelen liggen op dezelfde plaats op het chromosoom. Ze hebben dus dezelfde locus. Genen die niet bij elkaar horen,en dus op verschillende loci liggen, zijn dus geen allelen van elkaar. Een voorbeeld: de genen Zwart en chocolate zijn allelen van elkaar op dezelfde locus. Maar de genen voor zwart en gestreept zijn geen allelen van elkaar; immers ze hebben een verschillende locus en kunnen  dus niet met elkaar ‘concurreren’. 

 

*   Een kat is homozygoot voor een bepaalde eigenschap als er twee dezelfde genen (kunnen zowel dominante als recessieve genen zijn) op een plaats aanwezig zijn. Beide ouderdieren moeten deze eigenschap dus dragen. Een kat waarbij een recessieve eigenschap zichtbaar is, moet dus homozygoot zijn voor die eigenschap. Het uiterlijk en de genetische eigenschap zijn dus aan elkaar gelijk. Een homozygote kat is voor die betreffende eigenschap dan fokzuiver.

 

*   Een heterozygote kat heeft voor een bepaalde eigenschap twee verschillende genen , die zich f mengen (intermediaire overerving), f waarvan het dominantste gen wint (monohybride overerving). De ouders geven dus beide een verschillend gen voor de zelfde eigenschap  (=dezelfde plaats) door. Hierdoor zijn het uiterlijk en de genetische eigenschap van de kat verschillend.

 

*   Het dominante gen (het in het voorbeeld genoemde zwarte gen) van de twee concurrerende genen overheerst het recessieve gen (het 'blauwe' gen). Van deze dominante hoeft er maar n aanwezig te zijn om zichtbaar te worden in het uiterlijk van de kat . Slechts n van de ouders hoeft dit gen dus maar bij zich te dragen en door te geven. In de genetica geven we het dominante gen altijd een hoofdletter. Dus b.v. het dominante gen voor zwart wordt aangeduid met B. Dus als men een zwarte kat met twee dominante genen met een blauwe kat kruist (deze moet twee genen voor blauw hebben aangezien dit de recessieve eigenschap is), worden alle kittens zwart.

 

*   Het recessieve gen van de twee concurrerende genen blijft onzichtbaar bij de aanwezigheid van een dominant(er) gen. Er moeten dus twee dezelfde, (even) recessieve genen aanwezig zijn op dezelfde plaats, wil deze eigenschap pas zichtbaar worden. Hiervoor moeten dus beide ouderdieren de recessieve eigenschap dragen en doorgeven. Een recessief gen kan generaties lang worden door gegeven, zonder zichtbaar te worden wanneer er dus telkens een dominanter gen aanwezig is. Er wordt dan gezegd dat de katten de recessieve eigenschap met zich mee dragen. Recessieve genen duiden we aan met de kleine letter van het dominante gen, (omdat deze genen als het ware bij elkaar horen) dus b.v. het recessieve gen b voor bruin  t.o.v. B voor zwart. 

 

*   Een monohybride overerving is een overerving waarbij het dominante gen het recessieve gen (van de twee concurrerende genen op dezelfde plaats) volledig overheerst. Dus wanneer er twee verschillende genen op de zelfde plaats liggen, ‘wint’ de dominantste (deze eigenschap wordt zichtbaar), en blijft de recessiefste volledig onzichtbaar.

 

 

*   Bij een intermediaire overerving gaan de twee verschillende genen zich juist met elkaar ‘mengen’. Geen van beide genen is dominanter en er ontstaat een ‘gemengd’ uiterlijk. Een makkelijk  voorbeeldje is een denkbeeldig gen voor geel die samen met een concurrerend gen voor rood de eigenschap ‘kleur’ vormt. Omdat het hier om een intermediaire overerving gaat gaan  geel en rood zich mengen, en ontstaat er een oranje kleur. Bij een monohybride overerving zou de kleur f geel f rood worden.

 

 

*   Het fenotype is het uiterlijk van de kat. Dus welke (al dan niet erfelijke) eigenschappen er in het uiterlijk terug te vinden zijn.

 

*   Het genotype is wat de kat genetisch bij zich draagt. Dus ook de eigenschappen die eventueel niet in het fenotype terug te vinden zijn. Bij een homozygote kat zijn het fenotype en genotype voor die eigenschap gelijk. Bij een heterozygote kat verschillen het fenotype en genotype. B.v. een fenotypisch zwarte kat die de kleur chocolate met zich mee draagt, heeft als genotype voor vachtkleur Bb, dus zwart n chocolate. (en is dus heterozygoot voor deze eigenschap). Wanneer men niet zeker weet of de kat homo- of heterozygoot is, zet men een streepje neer. Voorbeeld: van een fenotype zwarte kat is niet bekend of hij chocolate draagt. Men noteert zijn genotype dus als B-. Pas wanneer is aangetoond doormiddel van fokken welk andere gen op die plaats ligt, kan men pas Bb noteren. Omdat er veel te veel genen zijn om allemaal te noteren, bekijkt men het genotype alleen voor de eigenschappen die van belang zijn.

  

*   Een monohybride kruising (anders dan een monohybride overerving) is een kruising tussen twee dieren waarbij men slechts op n eigenschap let. Er wordt bij zo'n kruising maar op de werking van n locus gelet. Een voorbeeld is een zwart gevlekte kat die men met een bruine kat kruist. In dit geval letten we alleen op de genen die verantwoordelijk zijn voor de zwarte en de bruine kleur, en laten we de genen die witte vlekken veroorzaken achterwegen. In een schema zou dus slechts B- x bb komen te staan, ondanks dat de 'B-kat' ook nog hele andere eigenschappen voor vachtkleur met zich mee draagt.

 

*   Een polyhybride kruising (poly=meer) is een kruising waarbij men op meerdere eigenschappen (dus loci) let. Wanneer men op twee loci let wordt het een di(=twee)hybride kruising en bij drie loci een tri(drie)hybride kruising enzv enzv. Poly wil dus alleen maar zeggen dat je op meer dan n eigenschap let. Zo zou je bij het bovenste voorbeeld nu ook de genen voor witte vlekken kunnen betrekken bij de kansberekening van de 'uitkomst'. Echter; op hoe meer eigenschappen je let, hoe complexer de berekening en hoe groter het schema (al gauw wordt het kans berekeningschema veel te groot).

 

*   Epistasie is het overheersende effect van een hele eigenschap (locus) tegen over een andere eigenschap. Hier gaat het niet meer om twee concurrerende genen, maar hele eigenschappen die elkaar onderdrukken en overheersen en is er dus sprake van een polyhybride kruising. Bij epistasie is er op n locus een dominant gen aanwezig, wat de allelen op een andere locus of soms zelfs loci overschaduwt. Witte katten zijn hiervan een voorbeeld. Wit vererft dominant en wanneer deze dominante allele aanwezig is resulteert dat in een een witte kat. Alle genen op de overige loci worden onzichtbaar bij de aanwezigheid van deze dominante allele voor wit (ze kunnen nog wel gewoon worden door gegeven aan het nageslacht).

 

*   Cryptomerie is vrijwel het zelfde als epistasie, maar hier is het geen dominant gen dat het effect van een ander locus/ andere loci onzichtbaar maakt, maar de dubbele aanwezigheid van een recessief gen. In geval van crytomerie zijn er op n locus twee recessieve allelen aanwezig (zonder de aanwezigheid van een dominante allele), die de werking van een andere locus, waar wel dominante allelen aanwezig kunnen zijn, geheel onderdrukt. Een voorbeeld is de recessief verervende albinofactor. Wanneer deze eigenschap homozygoot aanwezig is ontstaat een witte kat, en komen alle andere eigenschappen voor vachtkleur niet meer aan het licht.

 

*   Een mutatie is een plotselinge verandering van een gen. Er kan namelijk bij de celdeling iets fout gaan, waardoor de ‘mutant’ er net ietsje anders uitziet als het oorspronkelijke gen. Wanneer deze fout optreed in de celdeling van geslachtscellen, kan deze worden doorgegeven aan het nageslacht. Een mutatie is meestal recessief.

 

 

 

 

Theorie en genetica door Mirjam van Dalum

 

 

 

 

 

 

 

Copyright 2012 Siberische Kat Info. All Rights Reserved. Disclaimer